Verstikkende spreekangst

18 juni 2013

spreekangst

 De training De spreekangst voorbij geven we in voorkomende gevallen individueel, om extreme plankenkoorts hanteerbaar te maken. Die angst heeft vaak onverwachte linken naar het verleden. Soms ook bij een 'high potential'.

 Een tengere vrouw van 29 jaar. Ze durft niet te spreken voor een publiek maar moet voor haar werk wel presenteren. We gaan aan de slag en analyseren wanneer ze spreekangst voelt. Niet vooraf, maar vooral tijdens haar presentatie, zegt ze. We nemen de proef op de som, ze doet een korte presentatie. En inderdaad: al haar aandacht is bij de inhoud. Ze vermijdt ieder contact met de toehoorder en zegt vaak ‘uh’.

Eerst maar eens aan een goede structuur werken. Ze herschrijft het begin en presenteert alleen de eerste drie minuten. Dat gaat goed. Er kan zelfs een lachje vanaf en ze voelt zich al een stuk zekerder. Dus gaan we verder met de wetten van de retorica. Ze is erg blij dat haar presentatie nu een duidelijke opbouw heeft.

Ik geef haar een stelling: openbaar vervoer moet gratis worden, en vraag haar een betoog op te bouwen. Ze gaat aan de slag en ik loop wat rond. Ineens bekruipt mij het gevoel dat er iets niet klopt, dat ik in haar ‘script' ben gestapt.

De tweede presentatie. Al na een paar minuten valt ze stil. ‘Wat gebeurt er?’ vraag ik. Ze zegt dat ze zichzelf steeds hoort praten, dat ze in halve zinnen spreekt. 

‘Hoe erg is het om halve zinnen te maken?’ vraag ik. Eerlijk gezegd was het mij niet opgevallen. Ik wil de video-opname bekijken, maar ze wil zichzelf niet terug zien. In plaats daarvan praten we wat over vroeger. Ze heeft geen enkele herinnering aan haar kindertijd en puberteit, zegt ze. Ik stel concrete vragen. Waar woonde je? Waar zat je op school?

Ze vertelt dat ze als baby naar een pleeggezin is gegaan. Haar moeder vond zichzelf te jong om voor een baby te zorgen. Ik zie de pijn in haar ogen maar haar gezicht vertrekt geen spier. Wel is haar stem voorzichtiger, alsof de muren oren hebben.

Ze woonde in het buitenland. Daar heeft ze goed Engels geleerd. Op haar 13de besloot haar moeder terug naar Nederland te gaan en nam haar weg uit het pleeggezin. Haar pleegouders werden boos en verbraken het contact. Terug in Nederland ging ze naar een middelbare school, ook al sprak ze alleen Engels. Ze haalde goede cijfers, ondanks haar minimale uitdrukkingsvaardigheid.

Thuis moest ze altijd huiswerk maken. Ze mocht niet uit met vriendinnen en heeft ook geen vriendinnen overgehouden aan die tijd. En dat was het script dat we net tegen kwamen: zij moest werken en ik was de moeder die rondliep. Na die constatering kwamen de tranen.

De moraal? Een pittig levensverhaal. De gevolgen daarvan poets je niet zomaar weg. Bovendien is het een training spreekangst, geen therapie, dus je kijkt alleen naar die patronen die het ontspannen presenteren in de weg staan. 

Aan het eind van de bijeenkomst stelde ik haar op de proef, en ik sprak zelf in halve zinnen. 'Als je kijkt naar school, ik bedoel, toen je op school, je was 13, hoe kijk je daar dan naar? Denk je dat je, als je kijkt naar je presentatie, denk je dan dat je met deze stelling, een beetje rare stelling misschien, een presentatie kunt bouwen?'

Ze had het niet gehoord. Daarmee liet ik zien dat praten in halve zinnen helemaal niet zo erg is. Zeker niet als je bedenkt dat zij maximaal twee halve zinnen had gebruikt. Haar kritische interne dialoog vervormde haar zelfbeeld.

 

| Rubriek Uit de praktijk

Hocus pocus

03 januari 2011

“De trainer beschikt over sterke analytische vermogens en helpt je op een vertrouwde manier vooruit te komen. Ze lijkt over een toverstaf te beschikken: zij heeft bij mij de angst voor presenteren veranderd in het leuk vinden om te presenteren.”

Soms krijg ik van die ontzettend aardige reacties na trainingen. Een toverstafje.

Het punt is: in mijn werk help ik cursisten om de weg naar binnen te vinden. Dat doe ik door heel goed te kijken, heel goed te luisteren en heel dicht naast iemand te blijven staan. Zo –en het is echt de enige manier- kun je iemands kracht horen, zien en voelen. Dan hoef ik alleen nog maar te zeggen wat ik heb waargenomen en het volgende moment houdt diegene zijn of haar hoogstpersoonlijke toverstafje in de hand. Het lijkt hocus pocus, maar er is niets magisch aan.

Een toverstafje: had ik het maar. Dan zou ik een vrolijke warme zon toveren of dat het al lente was.

| Rubriek Uit de praktijk